traditioneel rietdekken

Het riet wordt bevestigd op de pan/rietlatten die ca. 28 cm uit elkaar zitten en die op sporen zijn bevestigd.
Om het riet vooral aan de onderzijde tegen opwaaien te beschermen wordt er een knelplank aangebracht en een extra lat om het riet vaster te kunnen krijgen.
Voordat we het dekriet aanbrengen leggen we een spreilaag aan, deze vergemakkelijkt het rietdekken zodat de pluimen van het aan te brengen riet niet tussen de panlatten komen.

Het dekriet wordt laagsgewijs van onder af naar boven toe aan de latten bevestigd met de pluim omhoog.
Vroeger werd het riet vastgebonden aan de rietlatten met wilgentenen. Deze wilgentenen werden in de herfst en winter geoogst. Waren ze te droog dan werden ze in het water gelegd, waardoor ze taai en buigzaam werden. Als horizontale binding werd de gaarde gebruikt, dit is een 2- of 3 jarig griendhout van 2 1/2 - 3 meter lang.
De gaarden en wilgentenen zijn nu vervangen door gegalvaniseerde staven en gegalvaniseerd roestvrijstaal koperdraad. Bij monumenten verlangt men soms nog wilgentenen en gaarden.

Boven bij de nok worden de latten dichter bij elkaar geslagen zodat het riet korter aankomt en de stoppel dichter bij de gaarde komt te zitten. De laatste laag moet glad en strak zijn, zodat de rietvorsten recht komen te liggen.

De rietvorsten komen op de nok van het dak te liggen, ze worden opgevuld met riet zodat ze steun hebben en stevig komen te liggen. De rietvorsten worden ca. 2 cm. uit elkaar gelegd, waarna ze in schrale specie met ruggen worden gemetseld. Hierna wordt het dak afgewerkt; het dak wordt afgeveegd en mooi egaal en strak geklopt.

De dikte van het dak is onder ca. 32 cm, naar boven toe minderend tot ca. 25 cm, haaks gemeten op de rietlat.
De levensduur van het dak is van meerdere factoren afhankelijk. Enorm belangrijk is de kwaliteit van het riet en de manier waarop het dak wordt gemaakt. De hellingshoek van het dak is ook van belang; hoe steiler hoe beter.